Buffels en appels

Apple blossomHij zat op de rand van het bed, klaar om naar zijn werk te gaan. Zij gaf hem een zoen en nestelde zich weer onder haar dekbed.
“Ik hoor gepiep beneden,” zei zij.
“Ik hoor niets,” antwoordde hij, “jij hebt vast betere oren dan ik.” Na een korte overpeinzing voegde hij daaraan toe: “Maar evolutionair gezien is dat ook logisch. Wij mannen moesten jagen, jullie moesten op de kinderen passen. Dan moet je wel goed kunnen horen, want je moet het merken als er iets mis is met je kind.”
“Nou, daar hoef je echt niet goed voor te kunnen horen,” lachte zij. “Die kinderen zorgen wel dat je ze hoort. Nee, jullie moesten goede oren hebben, want jullie moesten horen waar de buffels waren.”
“Die buffels zie je anders wel staan hoor, op de steppe,” sprak hij tegen.
“Zie jij hier een steppe dan?” Ze wees uit het raam. Dat de logica van deze tijdsprong ver te zoeken was, legde ze stilzwijgend naast zich neer.
“Nee, maar moet ik hier buffels vangen dan?” Zijn ogen keken ondeugend en om zijn mond vormde zich een grijns.
Ze negeerde zijn vraag. “Ik hoef alleen maar te weten waar de appels hangen.”
“Moet je die dan niet kunnen horen ruisen?” probeerde hij nog.
“Nee,” zei ze resoluut. “Ik hoef alleen maar te weten waar de appelboom staat.” Haar hand bewoog zich weer richting het raam en ze wees naar het groene bladerdek dat zich een maand geleden nog tussen de roze bloesems verstopt had. Triomfantelijk glunderde ze naar hem.
Zijn ogen straalden.
Advertenties