Eindbestemming

Eindbestemming

Ik weet niet hoelang ik al onderweg ben. De snelweg lijkt eindeloos te zijn, de auto’s die langs mij razen ontelbaar. Het geluid van een sirene nadert in de verte. Schichtig werp ik een blik in mijn achteruitkijkspiegel, om te zien waar de blauwe lampen zich bevinden.
‘Ze hebben je gevonden!’
Deze constatering laat mijn hart een paar slagen overslaan.
‘Loser, je hebt het voor jezelf verpest.’
Maar de politiewagen neemt de afslag die ik net gepasseerd heb. Ik voel een zucht ontsnappen uit mijn mond. Voor de zekerheid druk ik mijn gaspedaal nog een stukje verder in.
‘Wat doe je nou? Niet te snel rijden, als ze je flitsen, word je alsnog gepakt!’
Met alle kracht die ik nog bezit, duw ik mijn rechterhand tegen mijn voorhoofd aan. Ik wil dat ze stoppen met praten. Luister niet naar ze, Vera, luister naar de muziek. Mijn hand beweegt zich naar de volumeknop.

Crashing down

And there’s no-one for miles around

De rauwe stem van Beth Hart schalt door mijn speakers. Het lijkt te werken. Met samengeknepen ogen tuur ik naar de strepen op de weg voor me. Focus, het duurt niet meer lang nu.
‘Lafaard, kun je nou echt niets beters bedenken dan vluchten?’
Even voel ik een aarzeling. Is dat echt wat ik doe? Vluchten?
‘Pardon? Ze willen je de dood injagen, natuurlijk moest je weg!’
Als ze nou maar even stoppen met praten. Ik wil niet luisteren, ik wil niet denken, ik wil alleen maar naar de plek van mijn bestemming.
‘Je moet iemand bellen.’
Ik wist dat dit zou komen. Sterk blijven nu, Vera. Je mag je niet laten overhalen. Of misschien… Eén telefoontje nog?
‘Zwakkeling! Wie ga je dan bellen? Niemand kan je helpen!’
Stop! Het moet stoppen! Kom op Vera, focus!

Too damn tired to breathe

I’m too damn tired to scream

‘Wat nou als er wel een andere weg is?’
Even blijft de rest stil. Alsof ze allemaal nerveus op mijn antwoord wachten. Maar wat moet ik antwoorden? Ik zie geen andere weg, ik durf geen andere weg te gaan. Deze gedachte hoef ik niet uit te spreken om gehoord te worden.
‘Ik zei het toch, je bent een lafaard!’
Een steek boort zich in mijn maag.
‘Onzin, je bent juist hartstikke dapper. Eindelijk kies je voor jezelf. Dat werd eens tijd.’
Ik voel mijn ademhaling sneller gaan. Waren ze nou toch maar even stil… Ik moet me concentreren. Nog twee afslagen, dan ben ik er.

Crashing down

On the road

Goed zo, luister naar de muziek. De muziek zal je helpen. Mijn eindbestemming nadert. Er is nu geen weg meer terug. Ik stuur de auto van de snelweg af. Met een bonzend hart rijd ik over de lange, kaarsrechte weg langs uitgestrekte bossen. Zelfs nu alle bomen hun bladeren hebben laten vallen, is het hier nog adembenemend mooi. Als ik een paar uur geleden niet al mijn vertrouwen in de mensheid had verloren, had ik er vast van kunnen genieten.

Been living a lie

My kisses are dry

I got nowhere else left to run

Ik zet de motor uit en staar voor me uit. Naast me ligt de weg waarover ik zojuist gekomen ben. De parkeerplaats waar ik sta wordt omringd door enorme, kale bomen. Ik kijk naar het dorre winterlandschap, maar echt zien doe ik het niet. Ik denk alleen maar aan mijn missie. Nu moet het gebeuren.

Days and days go by

Children laughing but still I don’t smile at all

Ik schrik op van een luide piep. Een berichtje op mijn telefoon.

— Zusje, ik heb net gehoord wat er gebeurd is. Doe alsjeblieft geen domme dingen.

Wil je me bellen? —

Het voelt alsof iemand een sloopkogel in mijn maag heeft gezwaaid. Ik voel tranen prikken achter mijn ogen.
‘Er houdt nog iemand van je. Misschien kan zij je helpen…’
Als ik nu —
‘Niemand kan jou helpen. Je bent een hopeloos geval.’
Maar ik —
‘Negeer je zusje. Denk aan je missie.’
Nee! Laat ze stoppen met praten! Ik moet denken…

God knows I can’t change me

I’ve tried and tried

I never meant to make you cry

Ze verdient een berichtje. Een verklaring. Ik ben het haar verschuldigd. Met rillende handen begin ik te typen.

— Ik snap dat jullie van me houden. Daarom vind ik het zo moeilijk om jullie teleur te stellen. Maar ik ben echt ontzettend bang…
Het spijt me… —

Ik druk op verzenden en daarna meteen op de uitknop van mijn telefoon. Ze mag me niet op andere gedachten brengen. Ik ben vastbesloten nu. Dit is wat ik moet doen. Ik heb geen andere keus.

Here I am again beginning at another end

There’s no turning back this time.

Ik sluit mijn ogen. Het is minder makkelijk dan ik dacht. Nog één keer diep ademhalen. Mijn aarzeling gaat niet onopgemerkt aan ze voorbij.
‘Je durft niet hè?’
‘Misschien moet je terug.’
Mijn maag trekt zich samen. Terug, dat kan absoluut niet. Een golf van paniek beneemt me de adem. Als ik terugga, dan ga ik kapot. Er was maar één weg mogelijk en die heb ik net gevolgd. Ik heb mijn eindbestemming bereikt.

Dying ain’t that hard

So in a little while

I’m gonna make it easy

Ik pak de fles koelvloeistof die naast mij op de stoel ligt. Met bevende handen draai ik de dop van de fles af. Ik zet de fles aan mijn mond en laat het blauwe gif langzaam naar binnen stromen.

Don’t let me down

I need you now

To make it easy

Ik voel mijn lichaam lichter worden. In de verte klinkt een sirene. Ik blijf kalm, ik weet dat hij niet voor mij komt. Niemand komt mij helpen. Mijn hoofd wordt draaierig. De stemmen worden zachter, steeds zachter. Ze fluisteren in de verte. Ik kan niet meer horen wat ze me vertellen. Alleen de stem van Beth Hart reist nog mijn gehoorgangen binnen.

I’ve made my decision

And it was easy, easy

En dan wordt het helemaal stil.

 

Dit verhaal heb ik ingezonden voor de Boekenweekwedstrijd 2015 (Thema ‘Waanzin’).

Advertenties

Van mais

Mais“Pardon meneer, kunt u mij vertellen waar de afdeling van de gedroogde kikkererwten is?”
Met glazige ogen kijkt meneer Supermarktmedewerker me aan.
“Tja, eh… Daar vraag je me wat…”
“Nou ja,” probeer ik hoopvol en tegelijkertijd tegen beter weten in, “ik was eigenlijk ook niet op zoek naar kikkererwten, maar naar gedroogde maiskorrels om in een pannetje popcorn mee te kunnen maken. Meestal liggen die op dezelfde afdeling.”
Bij het horen van het woord ‘popcorn’ fleurt hij zichtbaar op.
“Ah! Maar ik weet wel wie dat weet!”
En met ferme pas loopt hij naar de andere kant van de winkel. Onzeker of ik hem nu moet volgen of niet – waarom zeggen ze dat er nooit bij? – sjok ik quasi-nonchalant achter de man aan.
Aangekomen bij het chipsvak, roept hij naar zijn collega:
“Zeg, kun jij deze mevrouw even helpen? Ze wil weten waar de gedroogde mais ligt, om popcorn in een pannetje te maken weet je wel, van die mais.”
Meneer Vakkenvuller komt achter de zakken chips vandaan en antwoordt:
“Oh, maar die hebben we niet van mais. Wel van Perfekt en van Bonduelle, maar niet van Mais zelf.”
Wacht, hoorde ik dat nou goed? ‘Niet van Mais zelf?’ Ik voel een schaterlach opkomen, maar weet mijn gezicht desondanks strak in de plooi te houden. Het merk Mais hebben ze niet in deze supermarkt. Wat een giller.
Meneer Vakkenvuller heeft het inmiddels ook door en begint te stamelen:
“Oh wacht, ja nee, eh… Misschien hier… Nee, alleen voor in de magnetron…”
Ik opper dat het nog wel eens bij de gedroogde kikkererwten zou kunnen liggen.
“Oh, maar die weet ik wel te vinden!” Hij heeft zijn zelfvertrouwen hervonden en loopt trots, met mij achter hem aan hobbelend, de winkel door, tot we ongeveer bij de plek zijn waar ik meneer Supermarktmedewerker toentertijd had aangesproken.
En inderdaad, tussen de aardappelen ligt een kratje gedroogde erwten. Van mais is echter geen spoor te bekennen.
“Sorry,” zegt meneer Vakkenvuller zichtbaar teleurgesteld.
“Geeft niet,” antwoord ik.
Het was het allemaal waard.

Het tikken van de herfst

Rain windowHet is medio augustus. Gurend blaast de wind krachtig langs mijn raam. De stromende regen tikt met ferme spatten tegen de ruit. Mijn vingers tikken mee op de letters van mijn toetsenbord. Alsof we samen muziek maken. Een gevoel van kalmte daalt op mij neer. Het is alsof elke druppel de tijd een stukje langer laat duren. Als een ritmisch duo bespelen de regen en ik beiden vol passie ons instrument. Zo herfstachtig en guur als het buiten is, zo knus en veilig voel ik me in mijn kleine kamer.  Zo had ik me het schrijverschap voorgesteld; je kunnen onttrekken aan een onstuimige buitenwereld, in alle rust je kunst beoefenen in een ruimte zonder haast en tijd. Behalve de twee lege flesjes energiedrank op mijn bureau, is er geen enkel bewijs te vinden voor de eerdere druk van de deadline vandaag. Het tikken van de klok heeft plaatsgemaakt voor het tikken van de herfst. De stress is verdwenen, er bestaat alleen nog rust.

Ineens priemt de zon voorzichtig haar stralen door het wolkendek heen. Als ik naar buiten kijk, zie ik dat het langzaamaan lichter wordt. De druppels tikken steeds zachter tegen het glas. Ik moet moeite doen om ze nog te kunnen horen. Het soepele samenspel van mijn toetsinstrument met de percussionist achter mijn venster sterft langzaam uit. De stralen van de zon worden overtuigender. Ze steken nu ook door het glas heen. Ik kan de warmte voelen op mijn rug. Jammer. Ik sta op, loop naar het venster en sluit mijn inbetweens. Beroofd van het rustgevende, regelmatige geluid van de regendruppels typ ik als solist verder. Teleurgesteld door de stilte, die me mijn rust ontnomen heeft. Buiten is de herfst voorbij, hij heeft zich weer genesteld in mijn lijf.

Warme armen

Zijn arm voelde zacht en warm. Haar handen streelden er zachtjes overheen. Ze kon zich niet herinneren hem ooit zo aangeraakt te hebben. Waarom eigenlijk niet? vroeg ze zich af. Ze hield toch van hem? En hij van haar. Als je van elkaar houdt, zou je toch verwachten ooit elkaars armen te strelen. Ze bleef hem zachtjes aaien. Verzonken in gedachten en tegelijkertijd zo bewust bij hem. Ze verbaasde zich over hoe zacht de huid was. Alsof hij een pasgeboren baby was, klaar om van het leven te gaan genieten. Het voelde fijn. Het was alsof de tijd even stilstond. Even was er alleen dit moment, hij met haar, en het zou nooit stoppen. Altijd zou ze deze heerlijke aanraking mogen voelen, mocht ze bij hem blijven terwijl hij hier in zijn bed lag te rusten.

Ze keek op. Haar blik kruiste die van haar moeder, en daarna die van haar zus. Haar moeder legde zachtjes haar hand op haar rug. Over de wangen van haar zus liep een traan naar beneden.White calla

Toen keek ze weer naar hem. De stille monitor naast zijn bed deed haar pijnlijk beseffen dat zijn mond nooit meer een adem zou uitblazen, zijn lippen nooit meer woorden zouden vormen en zijn ogen haar nooit meer zouden gadeslaan. Ze wist dat ze hem weldra haar laatste kus moest geven. Maar nu nog niet. Zolang zij streelde bleef hij nog even wie hij was. Zolang de aanraking er was, was haar vader er nog. Dus ze bleef aaien over dat ene plekje op zijn arm. Zodat het zacht zou blijven en warm, en zodat hij daar niet sterven zou.

 

Buffels en appels

Apple blossomHij zat op de rand van het bed, klaar om naar zijn werk te gaan. Zij gaf hem een zoen en nestelde zich weer onder haar dekbed.
“Ik hoor gepiep beneden,” zei zij.
“Ik hoor niets,” antwoordde hij, “jij hebt vast betere oren dan ik.” Na een korte overpeinzing voegde hij daaraan toe: “Maar evolutionair gezien is dat ook logisch. Wij mannen moesten jagen, jullie moesten op de kinderen passen. Dan moet je wel goed kunnen horen, want je moet het merken als er iets mis is met je kind.”
“Nou, daar hoef je echt niet goed voor te kunnen horen,” lachte zij. “Die kinderen zorgen wel dat je ze hoort. Nee, jullie moesten goede oren hebben, want jullie moesten horen waar de buffels waren.”
“Die buffels zie je anders wel staan hoor, op de steppe,” sprak hij tegen.
“Zie jij hier een steppe dan?” Ze wees uit het raam. Dat de logica van deze tijdsprong ver te zoeken was, legde ze stilzwijgend naast zich neer.
“Nee, maar moet ik hier buffels vangen dan?” Zijn ogen keken ondeugend en om zijn mond vormde zich een grijns.
Ze negeerde zijn vraag. “Ik hoef alleen maar te weten waar de appels hangen.”
“Moet je die dan niet kunnen horen ruisen?” probeerde hij nog.
“Nee,” zei ze resoluut. “Ik hoef alleen maar te weten waar de appelboom staat.” Haar hand bewoog zich weer richting het raam en ze wees naar het groene bladerdek dat zich een maand geleden nog tussen de roze bloesems verstopt had. Triomfantelijk glunderde ze naar hem.
Zijn ogen straalden.