Van mais

Mais“Pardon meneer, kunt u mij vertellen waar de afdeling van de gedroogde kikkererwten is?”
Met glazige ogen kijkt meneer Supermarktmedewerker me aan.
“Tja, eh… Daar vraag je me wat…”
“Nou ja,” probeer ik hoopvol en tegelijkertijd tegen beter weten in, “ik was eigenlijk ook niet op zoek naar kikkererwten, maar naar gedroogde maiskorrels om in een pannetje popcorn mee te kunnen maken. Meestal liggen die op dezelfde afdeling.”
Bij het horen van het woord ‘popcorn’ fleurt hij zichtbaar op.
“Ah! Maar ik weet wel wie dat weet!”
En met ferme pas loopt hij naar de andere kant van de winkel. Onzeker of ik hem nu moet volgen of niet – waarom zeggen ze dat er nooit bij? – sjok ik quasi-nonchalant achter de man aan.
Aangekomen bij het chipsvak, roept hij naar zijn collega:
“Zeg, kun jij deze mevrouw even helpen? Ze wil weten waar de gedroogde mais ligt, om popcorn in een pannetje te maken weet je wel, van die mais.”
Meneer Vakkenvuller komt achter de zakken chips vandaan en antwoordt:
“Oh, maar die hebben we niet van mais. Wel van Perfekt en van Bonduelle, maar niet van Mais zelf.”
Wacht, hoorde ik dat nou goed? ‘Niet van Mais zelf?’ Ik voel een schaterlach opkomen, maar weet mijn gezicht desondanks strak in de plooi te houden. Het merk Mais hebben ze niet in deze supermarkt. Wat een giller.
Meneer Vakkenvuller heeft het inmiddels ook door en begint te stamelen:
“Oh wacht, ja nee, eh… Misschien hier… Nee, alleen voor in de magnetron…”
Ik opper dat het nog wel eens bij de gedroogde kikkererwten zou kunnen liggen.
“Oh, maar die weet ik wel te vinden!” Hij heeft zijn zelfvertrouwen hervonden en loopt trots, met mij achter hem aan hobbelend, de winkel door, tot we ongeveer bij de plek zijn waar ik meneer Supermarktmedewerker toentertijd had aangesproken.
En inderdaad, tussen de aardappelen ligt een kratje gedroogde erwten. Van mais is echter geen spoor te bekennen.
“Sorry,” zegt meneer Vakkenvuller zichtbaar teleurgesteld.
“Geeft niet,” antwoord ik.
Het was het allemaal waard.

Het tikken van de herfst

Rain windowHet is medio augustus. Gurend blaast de wind krachtig langs mijn raam. De stromende regen tikt met ferme spatten tegen de ruit. Mijn vingers tikken mee op de letters van mijn toetsenbord. Alsof we samen muziek maken. Een gevoel van kalmte daalt op mij neer. Het is alsof elke druppel de tijd een stukje langer laat duren. Als een ritmisch duo bespelen de regen en ik beiden vol passie ons instrument. Zo herfstachtig en guur als het buiten is, zo knus en veilig voel ik me in mijn kleine kamer.  Zo had ik me het schrijverschap voorgesteld; je kunnen onttrekken aan een onstuimige buitenwereld, in alle rust je kunst beoefenen in een ruimte zonder haast en tijd. Behalve de twee lege flesjes energiedrank op mijn bureau, is er geen enkel bewijs te vinden voor de eerdere druk van de deadline vandaag. Het tikken van de klok heeft plaatsgemaakt voor het tikken van de herfst. De stress is verdwenen, er bestaat alleen nog rust.

Ineens priemt de zon voorzichtig haar stralen door het wolkendek heen. Als ik naar buiten kijk, zie ik dat het langzaamaan lichter wordt. De druppels tikken steeds zachter tegen het glas. Ik moet moeite doen om ze nog te kunnen horen. Het soepele samenspel van mijn toetsinstrument met de percussionist achter mijn venster sterft langzaam uit. De stralen van de zon worden overtuigender. Ze steken nu ook door het glas heen. Ik kan de warmte voelen op mijn rug. Jammer. Ik sta op, loop naar het venster en sluit mijn inbetweens. Beroofd van het rustgevende, regelmatige geluid van de regendruppels typ ik als solist verder. Teleurgesteld door de stilte, die me mijn rust ontnomen heeft. Buiten is de herfst voorbij, hij heeft zich weer genesteld in mijn lijf.

Warme armen

Zijn arm voelde zacht en warm. Haar handen streelden er zachtjes overheen. Ze kon zich niet herinneren hem ooit zo aangeraakt te hebben. Waarom eigenlijk niet? vroeg ze zich af. Ze hield toch van hem? En hij van haar. Als je van elkaar houdt, zou je toch verwachten ooit elkaars armen te strelen. Ze bleef hem zachtjes aaien. Verzonken in gedachten en tegelijkertijd zo bewust bij hem. Ze verbaasde zich over hoe zacht de huid was. Alsof hij een pasgeboren baby was, klaar om van het leven te gaan genieten. Het voelde fijn. Het was alsof de tijd even stilstond. Even was er alleen dit moment, hij met haar, en het zou nooit stoppen. Altijd zou ze deze heerlijke aanraking mogen voelen, mocht ze bij hem blijven terwijl hij hier in zijn bed lag te rusten.

Ze keek op. Haar blik kruiste die van haar moeder, en daarna die van haar zus. Haar moeder legde zachtjes haar hand op haar rug. Over de wangen van haar zus liep een traan naar beneden.White calla

Toen keek ze weer naar hem. De stille monitor naast zijn bed deed haar pijnlijk beseffen dat zijn mond nooit meer een adem zou uitblazen, zijn lippen nooit meer woorden zouden vormen en zijn ogen haar nooit meer zouden gadeslaan. Ze wist dat ze hem weldra haar laatste kus moest geven. Maar nu nog niet. Zolang zij streelde bleef hij nog even wie hij was. Zolang de aanraking er was, was haar vader er nog. Dus ze bleef aaien over dat ene plekje op zijn arm. Zodat het zacht zou blijven en warm, en zodat hij daar niet sterven zou.

 

Buffels en appels

Apple blossomHij zat op de rand van het bed, klaar om naar zijn werk te gaan. Zij gaf hem een zoen en nestelde zich weer onder haar dekbed.
“Ik hoor gepiep beneden,” zei zij.
“Ik hoor niets,” antwoordde hij, “jij hebt vast betere oren dan ik.” Na een korte overpeinzing voegde hij daaraan toe: “Maar evolutionair gezien is dat ook logisch. Wij mannen moesten jagen, jullie moesten op de kinderen passen. Dan moet je wel goed kunnen horen, want je moet het merken als er iets mis is met je kind.”
“Nou, daar hoef je echt niet goed voor te kunnen horen,” lachte zij. “Die kinderen zorgen wel dat je ze hoort. Nee, jullie moesten goede oren hebben, want jullie moesten horen waar de buffels waren.”
“Die buffels zie je anders wel staan hoor, op de steppe,” sprak hij tegen.
“Zie jij hier een steppe dan?” Ze wees uit het raam. Dat de logica van deze tijdsprong ver te zoeken was, legde ze stilzwijgend naast zich neer.
“Nee, maar moet ik hier buffels vangen dan?” Zijn ogen keken ondeugend en om zijn mond vormde zich een grijns.
Ze negeerde zijn vraag. “Ik hoef alleen maar te weten waar de appels hangen.”
“Moet je die dan niet kunnen horen ruisen?” probeerde hij nog.
“Nee,” zei ze resoluut. “Ik hoef alleen maar te weten waar de appelboom staat.” Haar hand bewoog zich weer richting het raam en ze wees naar het groene bladerdek dat zich een maand geleden nog tussen de roze bloesems verstopt had. Triomfantelijk glunderde ze naar hem.
Zijn ogen straalden.

De jongste schrijver van de wereld

Toen ik 10 was, wilde ik de jongste schrijver van de wereld worden. De woorden in boeken vraten mijn ogen binnen enkele uren op. Hun hoofdpersonen leefden nog dagen, soms weken, verder in mijn hoofd. Opstellen waren mijn beste vrienden. In mijn vrije tijd pende ik ijverig in mijn dagboek, hield een gedichtenbundel bij en schreef samen met mijn vader korte verhalen.

De jongste schrijver van de wereld, dat is mislukt. De hobby van het schrijven is op enig moment verloren gegaan in de woelige wereld van schoolopdrachten, essays, stages en werk. Zonde.

Maar nu zit ik thuis, een poos alweer. De pen gaat weer kriebelen. Het toetsenbord kriebelt gezellig mee. Ik heb besloten mezelf niet meer te verschuilen achter excuses. Het kind in mij krijgt haar droomwens. “Als ik later groot ben, ga ik schrijven.”

Het is nu later. Ik ben groot. Ik ga schrijven.

——————————————————

Naast recreatief schrijver ben ik ook werkzaam als freelancer bij mijn eigen bedrijf Typisch Tanya. Je kunt me inhuren voor het schrijven, reviseren en vertalen van teksten. Mijn meest recente opdrachten waren het schrijven van videoscripts voor iCasting Academy en het engelstalige toneelstuk Bedtime Stories voor Wow-Effect Theater. Ook schrijf ik een tweewekelijkse column voor Theatergroep Gras. Ik vertaal in de talen Ne-En, En-Ne, Du-Ne en Du-En.